In Reprise (1)

Op vrijdagmiddag 28 oktober 2016 mag ik een toneelstuk pitchen in het Trippenhuis in Amsterdam. In dit huis—gebouwd voor de zeventiende-eeuwse wapenhandelaars Louis en Hendrik Trip—zetelt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, die deze middag organiseert i.s.m. de Akademie van Kunsten, vertegenwoordigd door Gijs Scholten van Aschat. En pitchen, dat is: een leren bal heel hard naar een catcher gooien, waarbij die bal dan in aanraking kan komen met de knuppel van een batter. Maar dan figuurlijk.

De gelegenheid: de feestelijke lancering van “Nederlands toneel—in reprise“, een website waarop 25 Nederlandse toneelteksten “volledig ontsloten” worden. Ontsluiten betekent hier vermoedelijk iets als: de speeltekst beschikbaar maken voor gebruik. Die lijst van 25 weerspiegelt de uitkomst van een enquête uit 2014. Deelnemers lieten weten welke Nederlandstalige toneelteksten—uit een longlist van honderd—in reprise moeten worden genomen. De bedenkers van In reprise willen met de website Nederlandstalige toneelstukken “die ooit volle zalen trokken en die acteurs én het publiek tot geestdrift brachten, opnieuw onder de aandacht brengen.” Dit “vanuit de overtuiging dat iedere bloeiende theatercultuur een verzameling canonieke teksten moet hebben; teksten die om de zoveel tijd door een nieuwe generatie theatermakers tegen het licht moeten worden gehouden.”

Van de ruim 23 miljoen moedertaalsprekers van het Nederlands hebben 126 mannen en 95 vrouwen meegedaan aan de enquête, en 3 mensen van onbekende sekse. Van uiteenlopende leeftijd (19 tot 82 jaar), dat dan weer wel. En allen “fervente theaterbezoekers”. Dus.

Op de eerste plaats staan drie koningsdrama’s van Shakespeare. (Don’t ask.)

Hoe het zij. De bijeenkomst in het Trippenhuis zal worden geopend met een keynote speech door een bekende theatermaker (spannend! Wie?). Daarna volgen vier pitches. De pitchers hebben de opdracht om een van de 25 stukken over het voetlicht te brengen, elk uit een afgebakende periode, en met speciale aandacht voor de kwaliteit, speelbaarheid en eventuele actuele relevantie van het betreffende stuk. Elke pitch wordt gevolgd door een scène uit het stuk, gelezen of vertolkt door acteurs. De bijeenkomst wordt besloten met een forumdiscussie over de stand en de toekomst van Nederlands toneelrepertoire op de Nederlandse podia.

Mij is gevraagd een stuk te pitchen van vóór 1600. Als ik me beperk tot de shortlist, kan ik kiezen uit de volgende kandidaten:

  • Geëindigd op 7: De abele spelen (geschreven ca 1400; feitelijk vier afzonderlijke stukken: Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van Denemerken en Vanden Winter ende vanden Somer)
  • Op 9: Elckerlijc (1496)
  • Op 11: Mariken van Nieumeghen (1518)

Dit ontslaat mij van de onuitvoerbare taak om het totale pre-1600 repertoire van ongeveer 800 toneelteksten in overweging te nemen.

800?

Ja, waerlijck ende heusch, nou ja, ongeveer dan. Toneeltekst opschrijven en daarna de tekst netjes bewaren of bij een uitgever aanbieden werd in de loop van de vijftiende en zestiende eeuw een rage. (En dat is nog maar een van de vele zorgvuldig bewaarde geheimen van het theaterleven in de middeleeuwen en het begin van de vroeg-moderne tijd. Een ander geheim: zie Return of the sinnekens)

visscherDus, ik had zo gedacht: als ik de laatste negentig seconden van mijn tien-minutenpitch nou gebruik om reclame te maken voor Lanseloet, Esmoreit, Gloriant, Somer&Winter, Elckerlijc of Mariken (welke? Ga ik nog niet verklappen. Sterker, weet ik nog niet) dan heb ik de voorafgaande acht en een halve minuut voor een flitscollege over “alles wat de samenstellers van zo’n longlist en de deelnemers aan zo’n enquête eigenlijk zouden moeten weten over het theater van vóór 1600”. Een aantal stukjes van mijn voordracht zal ik nu en dan op deze plek in ruwe vorm voorpubliceren, voor de liefhebbers.

Hierboven alvast een plaatje, van een scène uit Zand erover (1997) door Theatergroep Marot onder regie van Jacques Tersteeg en ondergetekende, naar Cornelis Everaerts Esbatement van den visscher. Op plaats 72 in de longlist geëindigd.

Wordt vervolgd.


Palimpsest

Wat is: palimpsest?

SONY DSC

SONY DSC

  • (Lat.) aandoening van het zenuwstelsel
  • (zelfst. nw., vr.) martelwerktuig dat in middeleeuwse kloosters gebruikt werd, meestal voor scribenten die fouten maakten
  • een woord met een dubbele betekenis
  • het regelmatig voorkomen van het verlangen om in spiegelbeeld te schrijven
  • iemand die geobsedeerd is door de paralympische spelen
  • Indiase boom waaruit een hoge trommel wordt gemaakt die een heel hoge toon voortbrengt
  • Ionische zuil
  • martelwerktuig
  • middeleeuws kledingstuk, gedragen door ridders, na duels
  • onomkeerbaar omkeerwoord
  • oude vissersmanier om met de vingers van beide handen de beweeglijkheid van een net gevangen paling te testen
  • perkament dat na afkrabbing van een eerder aangebrachte tekst opnieuw beschreven is
  • puist of steenpuist, meestal rond de wenkbrauwen opkomend
  • uitmuntend; buitengewoon goed

Deze lijst kandidaatbetekenissen van het woord palimpsest dank ik aan het klasje wetenschapsjournalisten in spe aan wie ik gisteren een gastles gaf onder de titel ‘De boomkor scharrelt onder de anathema’. De les begon met een rondje woordenboekspel, en de opbrengst moest maar bewaard, dacht ik zo. De echte betekenis van palimpsest staat ook in de lijst (hint: zie foto) en is, als ik me goed herinner, slechts eenmaal geraden. We kwamen helaas niet toe aan meer rondjes. Anders had ik hier ook een lijst voor het bijv.nw. apotropeïsch en de combinatie epistemische modaliteit kunnen presenteren.

De boomkor scharrelt onder de anathema

De titel van het gastcollege is een eerbetoon aan de stukjes die Menno Steketee jarenlang schreef voor de Kleine Wetenschap-pagina van NRC Handelsblad. Het zinnetje komt uit een artikel uit 2005 over milieuvriendelijk vissen met de pulskor. (‘Dat klinkt als een planeet uit de nieuwste Star Wars—“Zork, zet koers naar Pulskor”—maar is een milieuvriendelijk soort boomkor.’) Steketee-stukken zijn in schrijflessen uitstekend inzetbaar als bommetjes onder het publiekgerichtheids-dogma.

Proza met een hoog stemmetje

Dat laat zich ongeveer zo omschrijven: Wie iets ingewikkelds uitlegt aan kinderen of andersoortige onwetenden, moet op z’n hurken om ‘aan te sluiten bij de belevingswereld’ van het kind, ‘doelgroep’ genaamd in dit gedachtegoed. Hij dient zijn proza vorm te geven in korte zinnen met zo-weinig-mogelijk-lettergrepige woorden. Schrijven met een hoog stemmetje zogezegd, en in primaire kleuren (excusez les mixed metaphors). Anders haakt de onwetende af of mist-ie de clou.

Zoals gewoonlijk was ook het klasje wejo’s in spe verdeeld na het ontploffen van de bommetjes. Een paar cursisten vonden Steketees stijl een te grote aanslag op het bevattingsvermogen van de jonge lezer, maar anderen schudden het hurkend-schrijvendogma onmiddellijk, dankbaar, van zich af. ‘Het is helemaal niet erg als ze een woord of zin niet meteen begrijpen.’ ‘Het maakt kinderen nieuwsgierig, en dan gaan ze uitzoeken wat het betekent, of vragen wat het is.’ ‘Je moet als schrijver juist die belevingswereld groter willen maken.’ Om een paar uitspraken uit het pro-Steketee-proza-kamp te parafraseren.

Jammer genoeg ben ik vergeten om namen te noteren bij de duidingen van het woord palimpsest. Als ik dat wel had gedaan, had ik misschien een correlatie kunnen ontdekken tussen (a) type woordenboekbeschrijving en (b) standpunt in het Steketee-prozadebat.


Return of the sinnekens

donald duckDonald Duck wordt tijdens vlagen van morele wankelmoedigheid wel eens toegesproken door een mini-Donald met horentjes en staart. Dit duivelse alter-ego’tje bevindt zich op schouderhoogte van de eend en voorziet hem van raadgevingen. Nabij de andere eendenschouder fladdert een een mini-Duckje in een pastelkleurig jurkje, met een aureooltje en een extra setje vleugeltjes. Dit engeltje probeert de influisteringen van het duiveltje tegen te spreken. Meestal vergeefs.

Op de zestiende-eeuwse toneelpodia had je ook van die types. Niet in de gedaante van zwevende fantasiefiguurtjes op smurfenformaat trouwens. De zestiende-eeuwse influisteraars waren manshoog en van vlees en bloed. En het influisteren gebeurde op pleinvullend volume, want de podia waarop zij hun kunsten vertoonden stonden in de open lucht. Bovendien waren het grote-bekken-op-poten met een bont scheld- en foetervocabulaire en een arsenaal aan overtuigingstechnieken.

Nog een verschil met de Donald Duck. In plaats van elkaar tegen te spreken, spanden deze types gebroederlijk samen om hun slachtoffer op te stoken tot allerlei onguurs. Beiden waren, om te spreken met mijn collega’s Bax en Vuijk, ‘regelrechte hellebrokken, handlangers van de vorst der duisternis’ en ‘rinkelrooiers van het kwaad’. De soortnaam was ‘sinneke’ (sinneken, meervoud sinnekens), en hun eigennamen varieerden naargelang het handelingsverloop van het zinnespel waarin ze ten tonele werden gevoerd. En, vooral: naargelang de zwakke plek die ze signaleerden in de ruggengraat van hun slachtoffer. Dat was doorgaans iemand die met een moreel dilemma worstelde, of die in de verleiding was geraakt om iets stoms of immoreels te doen. Als je alle sinnekens uit het omvangrijke zestiende-eeuwse toneelrepertoire op een rij zet, heb je een staalkaart met driften, hebbelijkheden, invloeden en emoties waaraan mensen destijds onderhevig werden geacht wanneer ze hun rationaliteit, spiritualiteit of naastenliefde verslonsden. Voer voor historici van de psychologie!

Sinnekens heetten soms eenvoudig Wanhoop & Twijfel, of Hoogmoed & Gierigheid, of Praalzucht & IJdelheid. Soms belichaamden ze gespecialiseerde gemoedstoestanden zoals Jaloers Getob, Bloeddorstig Gemoed of Wraakgierig Hart. Of gedragingen die zich uiten in intolerant gedrag, zoals Misbruik der Schriftuur & Dodende Letter. Als er anno nu zinnespelen zouden worden geschreven (maar niemand doet dat, onbegrijpelijk genoeg), zou de hoofdfiguur bijvoorbeeld een politicus, bankier of captain of industry kunnen zijn. Of een bestuurder van een woningbouwvereniging, een wetenschappers die gebukt gaat onder hoge publicatiedruk, of iemand die overweegt om te gaan vechten in het Midden-Oosten. Zo’n personage zou kunnen worden geflankeerd door sinnekens die zijn of haar duisterste motieven belichamen en onder woorden brengen.

Zinnespelen hadden in de zestiende eeuw, mede door dat benoemen van motieven achter allerlei (on)menselijk handelen,  een opiniërende functie. Via een medium waaraan tegelijkertijd een hoop lol te beleven moet zijn geweest. Het langdurig onderling vuilbekken van de sinnekens, hun gesnoef over vroegere wandaden en de psychologische hoogstandjes waarmee ze hun slachtoffer de verkeerde kant op manipuleerden, moeten een belangrijke factor zijn geweest in de aantrekkingskracht die destijds uitging van zinnespelen.

‘Jij bent uit Satan z’n zijkpot gesproten,’ zegt sinneken één bijvoorbeeld. ‘En jou heeft-ie in z’n schijthuis uitgekakt,’ zegt nummer twee. ‘Jij strijkt dodelijke pluimen.’ ‘Jij smeert stroop met rattengif’. Enzovoort, scènes lang, en vaak escalerend in opwindende battles, waarin de toeschouwer ook wordt bijgepraat over de ongure cv’s van de sinnekens van dienst. Steevast blijkt daaruit dat ze elkaars gelijke zijn in het orkestreren van allerlei twist, moord, oorlog en rampspoed door de eeuwen heen, en het ten val brengen van beroemde en beruchte historische figuren. Nadat ze al bekvechtend hebben vastgesteld dat ze zich aan elkaar kunnen meten, gaan ze over tot een gezamenlijk offensief jegens de hoofdfiguur, en prepareren hem voor een fatale misstap. Als het slachtoffer toch nog tijdig tot inzicht komt en afziet van die misstap, is dat doorgaans door interventie van een eveneens gepersonifieerde tegenkracht als Rede, Genade of Wijsheid.

Sinnekens lijken ergens aan het eind van de zestiende eeuw te zijn uitgestorven. Hoe kan dat gebeurd zijn? Zijn ze nog te reanimeren? En zou dat een goed idee zijn? Hoe kan het trouwens dat vrijwel niemand nog iets weet over het omvangrijke en unieke Nederlandstalige toneelrepertoire van vóór Vondel, Hooft en Bredero? En dat het, in tegenstelling tot de stukken van Shakespeare, nooit meer wordt gespeeld? Waarom kennen wij Hamlet beter dan Lanseloet, en Medea beter dan Mariken? Waarom dromen Nederlandse acteurs wel van een kans om aan het eind van hun carrière een King Lear te spelen, maar is Elckerlijc verdwenen uit ons collectieve geheugen? Deze en andere prangende vragen over veel te goed bewaarde geheimen uit de theatergeschiedenis van de Lage Landen worden beantwoord op donderdag 27 november 2014, tijdens het Kenniscafé getiteld ‘Kill Hamlet, leve Lanseloet’ (Forumimages, Hereplein 73 in Groningen, 17-18:30, gratis toegang, zie http://sggroningen.nl/nl/evenement/kill-hamlet-leve-lanseloet). Te gast zijn onder meer historisch letterkundige prof.dr Bart Ramakers en theatermaker en historicus Imre Besanger, die met theatergroep Kwast bekend en onbekend werk uit de Gouden Eeuw in een eigentijds jasje op de planken zet. Acteur Marius Bruijn speelt enkele scènes uit het repertoire van Kwast.

Neerlandici-in-opleiding die zich grondig willen voorbereiden op dit Kenniscafé, die inspiratie voor scriptieonderzoek op willen doen, of die zich willen inzetten voor een revival van de sinnekens in het bijzonder of het oude Nederlandstalige repertoire in het algemeen, beveel ik van harte aan het artikel van Bax en Vuijk eens wat door te bladeren, en W.M.H. Hummelens studie over sinnekens. Te vinden in de dbnl.

Tot slot nog dit: een van de laatste keren dat ik een sinnekensduo in actie heb gezien, was tijdens een theaterfestival in Toronto, ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw. Daar trad een groep acteurs van een theateracademie in New York op met Van sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit in Engelse vertaling. Tijdens de afterparty waren de spelers vooral benieuwd naar de reacties van de aanwezige Nederlanders en Belgen, want ‘jullie hebben zo’n onvoorstelbaar rijke en unieke theatergeschiedenis, and surely, this must be one of your most famous classics.’ Het is in het buitenland niet makkelijk uit te leggen dat wij onze klassiekers niet kennen, laat staan levend houden.


Nummer 39 met rijst

1958-3-SB-Netherlandish-LaughingFoolHet briesen over de grap van Gordon (“nummer 39 met rijst”) begint langzamerhand wat te luwen: een goed moment om er in verwondering wat afstand van te nemen samen met enkele humordeskundigen uit het verleden. Wat vinden zij ervan? De meningen door de eeuwen heen blijken sterk verdeeld.

“Het is van een beestachtigheid, dat ongebreidelde geschater van die man,” aldus Hildegard von Bingen, benedictijner abdis uit de twaalfde eeuw: “Weet hij trouwens wel hoe slecht het voor zijn gezondheid is, dat gebrul? Het brengt zijn hele sappenhuishouding in de war.”

“Mevrouw, u zit ernaast,” zegt Laurent Joubert, zestiende-eeuws arts te Montpellier. “Primo, lachen is nou net datgene wat ons van andere beesten onderscheidt, schreef Aristoteles al, maar die kenden ze in uw tijd misschien nog niet. En secundo: dat geschater is juist erg goed voor zijn sappenhuishouding. En de meelachers profiteren daar ook van. De combinatie van de pijnlijkheid en de vrolijkheid van die grap, die ik zelf trouwens niet begrijp, brengt een repeterende afwisseling van hevige contracties en expansies teweeg aan het hart, de longen en het diafragma. Daardoor komen grote golven fris bloed vrij, die het aandeel zwarte gal onderdrukken. Als iedereen zich dagelijks zou overgeven aan zo’n schaterbui zouden er niet zoveel mensen zijn met melancholische aandoeningen.”

“Dat is precies wat ik en mijn collega-gezellen van retorica zeggen als we een klucht opvoeren!” Aan het woord is Frans van Ballaer, rederijker te Brussel, 1559. “Lachen is donders goed voor de geestelijke gezondheid en dat hebben we in deze zware tijden hard nodig. Maar tegenwoordig moet je geweldig uitkijken met humor. Wij zijn onlangs aangeklaagd wegens belediging van de Franciscaner gemeenschap. In een klucht! Terwijl iedereen weet: ‘een goede klucht maakt de mensen aan het lachen zonder daarbij personen of groepen te grieven of te belasteren’. Die klucht over die Franciscaan voeren we al veertig jaar op, nooit gezeur, en nou ineens kan het niet meer.”

Van Ballaers Antwerpse collega Willem van Haecht, artistiek leider van de rederijkerskamer De Violieren, is helemaal klaar met die kluchten: “De lach van die hoogblonde kluchtfiguur en zijn publiek is precies het soort lachen waaraan ik me al jaren verschrikkelijk erger. Het is te luid en te lomp, en het gaat over niets. Weg ermee.”

“De grap zelf vind ik vrij primitief en als personage is deze figuur mij tezeer over the top,” zegt Jean-Baptiste “Molière” Poquelin, toneelschrijver in Parijs, zeventiende eeuw.  “Maar ik moet zeggen dat het geschater mij als muziek in de oren klinkt. Chez nous is, helaas, geluidloos lachen in de mode: ‘rire dans l’âme’. Jammer, ook voor de acteurs. Als ik duidelijk aangeef dat mijn karakters bedoeld zijn om slechte gewoontes te hekelen, dan mag het trouwens weer wel, lachen. Maar met mate natuurlijk.”

“Grote geesten lachen niet. Lachen is voor mietjes.” Aan het woord is Molières tijdgenoot Thomas Hobbes, filosoof. “Die blonde grappenmaker van jullie is een schoolvoorbeeld van mijn veelgeciteerde interpretatie van de grimassen die wij aanduiden als lachen. Ze worden opgewekt door een plotseling optredend triomfgevoel. De grappenmaker feliciteert zichzelf al schaterend met zijn eigen matige grap. En de toeschouwers? Die lachen vermoedelijk de grappenmaker uit omdat ze zich superieur voelen. Net zoals jullie destijds lachten om de slechte Polen-grappen van die sitcom-figuur uit de twintigste eeuw, Archie Bunker. Wat zegt u, dit is geen sitcom? Lopen dit soort kluchtfiguren in jullie tijd gewoon in de werkelijkheid rond? Bizar.”

Henri Bergson, filosoof in Parijs, 1900: “Van mensen verwacht je in principe een soepele flexibliteit in handelen en spreken. Als ze daarentegen gedrag vertonen dat aan een levenloze machine doet denken, dan moeten wij daarom lachen.”

“En dat komt door zogenaamde inspanningsdifferentie,” vult Sigmund Freud aan, psychoanalyticus te Wenen, begin twintigste eeuw. Hoe werkt dat? “Je leeft je in het geklungel in en bouwt de benodigde energie op. Tegelijkertijd ben je je bewust van de overbodigheid van de waargenomen manoeuvres. De overtollige energie moet eruit, en dat gebeurt in de vorm van lachen. Mits je je niet al te betrokken voelt bij degene die je observeert. Want dan wordt het iets wat juist frustratie opwekt. De regisseur van die grote blonde clown waarover in 2013 zoveel ophef is, zal beslist niet hebben kunnen lachen om zo’n slappe grap.”

MaxEastman“Inderdaad,” aldus Max Eastman, publicist te New York, begin twintigste eeuw. “Want die verkeert niet in de staat die ik zelf graag aanduid als ‘being in fun’. In die toestand kunnen we werkelijk alles lollig vinden wat we in een serieuze toestand naar en ellendig vinden.”

Arthur Koestler, Hongaars-Brits publicist, 1964: “Bisociatie van twee of meer contrasterende gegevens ligt aan de basis van alle humor. Deze grappenmaker bisocieert twee betekenissen van het woord ‘nummer’. Maar hier is vermoedelijk een andere bisociatie aan de orde: het geschater suggereert dat er er sprake is van grote humor, terwijl de grap zelf die suggestie volledig ondergraaft.”


Wie regeert de wereld?

Datum: Donderdag 7 november 2013
Tijd & plaats: 17.00 – 18.30 | ForumImages, Hereplein 73, Groningen
Kaarten: zijn vanaf een uur voor aanvang gratis af te halen aan de ForumImages-kassa
scheiding-lezing

Wie regeert de wereld als het erop aankomt? De Syrië-crisis maakt eens te meer duidelijk hoe lastig deze vraag te beantwoorden is. Hebben de Verenigde Naties, als platform van vrijwel alle staten, nog een leidende rol? Of is de Verenigde Staten , als militaire supermacht, uiteindelijk de wereldleider die bepaalt of er wel of niet wordt opgetreden tegen staten of groeperingen die internationale rechtsregels met de voeten treden?  En hoe zit het dan met de invloed van andere grote spelers als Rusland, China, Japan en toonaangevende EU-landen als Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië?

Het ideaal van de Verenigde Naties als wereldregering is nooit waargemaakt. Daarvoor zijn de internationale belangentegenstellingen en machtsverschillen te groot. De Veiligheidsraad is in de praktijk vaak vleugellam , omdat de permanente leden met vetorecht niet op een lijn zijn te krijgen. Resoluties van de Veiligheidsraad die het wel halen, kunnen landen zonder veel problemen naast zich neer leggen. Toch is de VN daarmee niet weg te zetten als  een papieren tijger. Er is sinds 2000 internationale overeenstemming over de millenniumdoelen. Ook heeft de VN wel degelijk machtsmiddelen om milieu- en handelsafspraken af te dwingen.  En voor het bestraffen van oorlogsmisdaden hebben we het Internationaal Gerechtshof in Den Haag.

Hoeveel macht heeft  de VN bij internationale conflicten? Laten de machtige wereldspelers zich iets gelegen liggen aan het internationaal recht? Is de VS nog wel de onaantastbare wereldleider? En waarom wordt er in het ene conflict wel opgetreden en in het andere niet?

Over deze vragen gaat Femke Kramer in gesprek met Marcel Brus, hoogleraar internationaal recht, Doeko Bosscher, hoogleraar eigentijdse geschiedenis en Amerika-deskundige, en Jaap de Wilde, hoogleraar internationale betrekkingen en machtspolitiek.


Heden omhelzen wij de lelijkheid

Uit de categorie Mooi Vies, Knap Lelijk, hier een Huffington Post clipje getiteld Men at twerk. Ik wist niet dat dit bestond, en weet niet zeker of ik het had willen weten maar het is niet meer terug te draaien.


Een levende dode is niet hetzelfde als een zombie: toegepaste filmanalyse

Een zombie is een gore vleeseter en een levende dode is een daglichtgevoelige knoflookhater zonder spiegelbeeld. Dat is niet hetzelfde, en dit ben ik te weten gekomen—met dank aan Maxim Februari voor de leestip in NRC Handelsblad, 24 juni ’13—door een fijn artikel van Tom Whipple in Intelligent Life Magazine, waarin trouwens veel meer wetenswaardigs te lezen is. (Zoals: het woord algoritme is afgeleid van de naam van een negende-eeuwse Perzische wiskundige, Mohammed ibn Moesa al-Chwarizmi–zie afbeelding.)

https://i2.wp.com/upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/9/93/Abu_Abdullah_Muhammad_bin_Musa_al-Khwarizmi_edit.png

Whipple heeft voor zijn stuk gesproken met Nick Meaney, die een dikbelegde boterham verdient door in opdracht van Hollywood-bobo’s evidence-based voorspellingen te doen over het kassucces van voorgenomen speelfilmprojecten. Hij doet dit met behulp van algoritmes die gevoed worden uit een grote database vol gegevens over eerder gemaakte films. Kwamen er levende doden in voor? Of zombies? Zo ja, hoeveel minuten in beeld? Welke eigenschappen heeft de protagonist(e)? Heeft hij/zij een sidekick/tegenspeler/aanbidder? Is er een bad guy, en is die door-en-door bad of zitten er ook sympathieke kantjes aan? Welke sterren deden er mee? (Verrassend weetje: er zijn onder de mannelijke sterren momenteel slechts drie Grote Namen die echt verschil maken.) En, cruciaal in deze database: welk bedrag heeft de kaartverkoop opgeleverd? (Nog een weetje: er is een superberoemde actrice die op dit moment tegen alle verwachtingen in het getal in die opbrengstkolom laat kelderen. “Je kunt haar beter betalen om niet mee te spelen.” De naam van de actrice wordt niet onthuld, begrijpelijkerwijs.)

Toegepaste filmanalyse! Een beoordelingscommissie van NWO zou kwijlen van genot bij de valorisatieparagraaf van een aanvraag voor een “meten-is-weten”-onderzoek als dat van Meaney. Maar Meaney redt zich prima zonder overheidssteun. Resultaten uit het verleden bieden, gezien het kennelijke animo in Hollywood voor Meaneys adviezen, aan garanties grenzende prognoses over de toekomst.

Je zou denken dat dit conventionele formule-cinema oplevert, en dat is natuurlijk ook zo. De succesfactoren die Meaney ontfutselt aan de mainstream-cinema (en die hij om begrijpelijke redenen niet openbaar maakt aan anderen dan zijn cliënten), worden mede dankzij zijn inspanningen eindeloos gerecycled; hetzelfde gebeurt met televisieformules die ervoor zorgen dat wij eindeloos kunnen kijken naar boeren die vrouwen zoeken, talentjes die idool willen worden, en idolen die in zwembaden springen of dansen op ijs.

Maar ook in sectoren waar kijk- of verkoopcijfers niet doorslaggevend zijn, en waar intellectuele of artistieke autonomie heerst, bedienen kunstenaars zich van eerder bedachte uitdrukkingsvormen. Zelfs de meest autonome schilder, dichter, romanschrijver, arthouse-regisseur, choreograaf of theatermaker houdt zich tot op zekere hoogte aan wetmatigheden die van kracht zijn in het genre dat hij beoefent. En heus niet alleen onder druk van financiers of intermediairen zoals uitgevers, producenten, theaterprogrammeurs, galeriehouders, museumconservatoren, sponsoren.

Op beide terreinen—het commerciële amusement en de autonome kunstsectoren—zijn trouwens de middelpuntvliedende gevallen het meest interessant: waar worden grenzen overschreden? Hoe wordt gespeeld met bestaande formules, gemorreld aan genreconventies en gezondigd tegen wetmatigheden? Onder “autonomen” kan dat laatste trouwens een wetmatigheid op zichzelf zijn—een kunstenaar hoort immers vernieuwend te zijn… Misschien zou Meaney in zijn hart liever dat soort processen onderzoeken. Zulk onderzoek kan echter niet gemakkelijk een beroep doen op private financiering. Aankloppen bij NWO dan maar, met dit Prachtige Idee voor Belangrijk Geesteswetenschappelijk Onderzoek? “Mevrouw de onderzoekster, het is me niet goed duidelijk hoe deze kennis economisch benut zou kunnen worden.”

Meaneys clientèle heeft geen artistieke pretenties, en Meaney zelf is een montere meten-is-weter die zichzelf en het milieu waarin hij opereert uitstekend weet te relativeren. Zie het volgende geruststellende dialoogje, gedestilleerd uit het verhaal van Whipple:

Meaney: “This isn’t about good, or bad. It is about numbers. These data represent the law of absolute numbers, the cinema-going audience. We have a process which tries to quantify them, and provide information to a client who tries to make educated decisions.”
Whipple: “Such as?”
Meaney: “I was in a meeting last week about the relative merits of zombies versus the undead.”
Whipple: “Is there a difference?”
Meaney: “The better question is, what is a grown, educated man doing in that discussion? But yes, there is a difference.”

Whipples artikel

Maxim Februari’s column